Bewoners van het bos

Zwarte Specht

Habitatrichtljn, Vogelrichtlijn, Drents Friese Wold en Dwingelderveld en de Zwarte Specht.
Onder HR-art 6:1 en VR art 1 dienen algemene beschermingsmaatregelen worden genomen voor alle in het gebied voorkomende habitattypen van HR-bijlage I en habitats van soorten van HR-bijlage II, alsmede van vogelsoorten onder VR art 4:1 en 4:2. Het gaat hier om maatregelen ter voorkoming van al dan niet opzettelijk toe te brengen schade. Er is bij dit type bescherming geen sprake van herstelopgaven.De specifieke maatregelen welke de richtlijn toestaat onder art 6:2 en 6:3/4 hebben slechts betrekking op de kwalificerende elementen (HR-bijlage I en II, VR art 4:1 en 4:2) waarvoor het gebied is aangewezen. Het is in dit verband wellicht nuttig te wijzen op het in de Habitatrichtlijn (uit 1992) gestelde, die geen andere interpretatie toelaat en daarenboven op de uitleg van de Europese Commissie uit 2000, m.b.t. het beheer van Natura2000-gebieden, gespecificeerd aan de hand van artikel 6 van de richtlijn. Waaruit, geciteerd m.b.t. de werkingssfeer van art 6:2; Beperking wat betreft de betrokken habitats en soorten. …..Het is dus niet de bedoeling algemene natuurbehoudsmaatregelen te nemen, maar wel maatregelen die specifiek zijn toegesneden op de soorten en habitats die de reden voor de aanwijzing van de SBZ-H/V hebben gevormd……De duurzame instandhouding betreft niet zonder meer alle in het gebied voorkomende “waarden”- dus niet alles wat er voorkomt hoeft te worden “hersteld”.
Het gebied is Dwingelderveld resp. DrentsFriese Wold is niet alleen een SBZ voor verschillende habitattypen maar tevens voor vogelsoorten. Immers, de Vogelrichtlijn is via artikel 7 Habitatrichtlijn nog steeds springlevend. De habitats van vogels die kwalificeren voor een gebied moeten dus worden beschermd via HR artikel 6 lid 2 tot en met 4. De Woudreus kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de habitats van kwalificerende vogels worden opgeofferd aan andere habitattypen. De conclusies van SOVON 2009 landelijk en die van het Dwingelderveld wijzen voorzichtig in die richting. Het gebrek aan aandacht ervoor is zorgelijk.
In dit stuk nu aandacht voor de kwalificerende Zwarte Specht: wiens habitat hoort te zijn beschermd:

Kenmerken.

De Zwarte specht valt niet te verwarren met andere spechten. Zijn lichaam is geheel zwart met op de kop een rode pet. Zijn ogen zijn licht gekleurd. Het mannetje heeft een geheel rode bovenzijde van de kop. Het vrouwtje heeft alleen aan de achterzijde van de kop en rood stukje. Hij is de grootste van alle Europese spechten. Voor b.v. broedmogelijkheden maakt de Zwarte specht, waarvoor het gehele gebied- zowel Dwingelderveld als DrentsFriese Wold- als SBZ is aangewezen, geen onderscheid (zo hij al zou kunnen kiezen) tussen inheemse en uitheemse boomsoorten. Het is een standvogel.De nestholte van de Zwarte Specht is gemakkelijk te herkennen. Het is ovaal. Van april tot juni worden de eieren gelegd. Dat gaat in een keer, en zijn er 4-6 in aantal. Hij leeft van verschillende insecten en larven en mieren. die veelal uit omgevallen en aangetaste bomen voorkomen. De mieren kan hij ook uit de grond halen. Zijn voorkeur gaat uit naar oude bossen, zowel loof- als naaldbossen. Het foerageergebied kan zich uitstrekken tot enkele kilometers van de nestplaats. Hun voorkomen is beperkt tot de oostelijke helft en zuidelijke van Nederland.
De aanmeldingsgegevens van het Dwingelderveld gaan uit van een populatie van 26 broedparen. Omdat er sprake is van een resultaatverplichting en niet van een inspanningsverplichting is de Nederlandse overheid in de afgelopen jaren in gebreke gebleven bij het instandhouden van deze populatieomvang.. Het herdefinieren in het Ontwerp-besluit van 2007 van de instandhoudings-doelstelling tot 15 paren, is in strijd met de richtlijnverplichtingen en met de door de Europese Commissie voorgeschreven procedure m.b.t. wijziging van het Standaardgegevensformulier (zie: Note to the Members of the Habitatscommittee, 2005). De afname van de populatieomvang lijkt te zijn gerelateerd aan de grootschalige bomenkap die in de afgelopen decennia heeft plaatsgevonden. Aangeduid als “omvormingsbeleid” en “beheer”, is voor deze kap nooit een passende beoordeling gemaakt, terwijl duidelijk was dat het plaatsvond in gedeelten van het gebied die het habitat van de Zwarte specht vormen.

Een min of meer halvering van de broedpopulatie sinds het moment van aanmelding van het gebied in 2004 dient als een significante achteruitgang te worden beschouwd. Van een gunstige staat van instandhouding van de populatie kan derhalve geen sprake meer zijn en op de overheid rust de verplichting het habitat van de soort in kwaliteit te herstellen. In Nederland, zo lazen wij op Eunis, is sprake van afname in aantal over heel Nederland van 22% ……..tot 2000.
De Woudreus heeft grote bezwaren tegen de vernietiging van de habitat van de Zwarte Specht in de twee nationale parken/ Zeker bij de huidige grootschalige herinrichtingsmaatregelen (naast het omvormingsbeheer ) thans in het Dwingelderveld is er geen enkele rechtvaardiging te vinden diens habitat en omgeving te vernietigen en te verstoren, zelfs in het broedseizoen: immers de trekkers rijden af en aan met ladingen zand uit het Noordenveld dwars door het Dwingelderveld..
Dat er een geluidswal komt – uit die ladingen zand van een ontgrond agrarisch gebied- op de plaats waar deze vogels zogenaamd last zouden hebben van de A28 is toch een merkwaardige conclusie van een gewrocht stukje deskundigenonderzoek. De Zwarte Specht zit juist in die oude bossen te broeden waar het zo lawaaiig is……….. pal langs de A28.!De stichting weigert te geloven dat de huidige nestplaatsen, die worden/zijn gespaard, nu nog worden bevolkt. De trekkers rijden er pal naast op en neer,er rijden vrachtwagens, er is een grote kraan, dus er is ook sprake van sterke verstoring op de plaats die eens rustig oud bos was. De habitat is dus niet meer geschikt en het is dus de vraag hoeveel Zwarte Spechten er na de aanleg van de geluidswal nog over zijn in het Dwingelderveld. Er zijn vele nestplaatsen ontdekt voor de kap. De prietpraat als zouden er allemaal dennen komen op de geluidswal is niet meer waar: de ontwerpen zijn gewijzigd……en niemand wil in ernst geloven dat dit een equivalent is voor het omgehakte oude bos en dat de Zwarte specht 80 jaar wacht tot de dennen de leeftijd hebben dat hij erin kan gaan hakken. Aangezien monitoring niet verplicht is in Nederland, zullen we het nooit te weten komen uit wetenschappelijk onderzoek. Hetzelfde ka n ook worden gezegd van de percelen bos in het Drents-Friese Wold.In het Dwingeldervveld hebben we dan altijd nog Joop Kleine, maar het Drents-Friese Wold, kent geen onderzoeker die dit z o trouw en nauwgezet bijhoudt. Joop Kleine voorspelde dan ook in 2005, zonder de details van de plannen precies te kennen, dat de Zwarte Specht in aantal achteruit zou gaan als gevolg van de vernattings maatregelen alsmede het omvormingsbeheer.
We moeten afwachten wat Europa gaat doen om de richtlijnverplichtingen af te dwingen.
De huidige Nederlandse autoriteiten laten het afweten.
Over een andere habitat (van een andere soort) een andere keer!

De Eik

Eiken/ herinrichting weg Lhee-Kralo


Bij verwijdering van de weg worden 90 jaar oude kwalificerende inlandse zomereiken (H9190) gekapt, het aantal loopt in de honderden. Deze eiken zijn aan weerszijden van een weg geplant en zij vormen een ecologisch waardevol systeem voor onder andere stinzeplanten, zeldzame mossen, paddestoelen, vleermuizen en holenbroeders. Ze voldoen mogelijk net aan de definitie “monumentale laan” want ze zijn in of omstreeks 1940 geplant.
Een laan is volgens deze definitie een weg of een pad met aan weerzijden een begeleidende beplanting van bomen die op een rij en in vast plantverband staan, waardoor deze een op zich zelfs staand geheel vormt binnen haar omgeving. Meestal is het zo dat een laan bestaat uit: gelijkopgaande bomen, bomen van dezelfde soort, bomen met een takvrij stamstuk en een betrekkelijk smalle terreinstrook omsluitend.
Geen enkele groep organismen is in zijn voortbestaan zozeer afhankelijk van oude lanen en bomenrijen op schrale bodems als de boombegeleidende paddenstoelen. ( Keizer, 2003) Maar liefst zo’n 200 soorten die er kenmerkend voor zijn, staan op de Rode Lijst, waarvan meer dan 80% bedreigd is. Veel boombegeleidende paddenstoelen groeien voornamelijk op dergelijke beplantingen, waaronder zeldzame soorten van de geslachten Boleet, Gordijnzwam, Russula en Vezelkop. De bijzondere microflora van lanen wordt verklaard door het verschralende effect van beplanting. Bladeren waaien namelijk gemakkelijk weg of worden verwijderd, waardoor voedingstoffen worden onttrokken en geen dik bladerdek ontstaat dat de vestiging van paddenstoelen kan voorkomen en de bodem verzuurt. De betekenis voor de microflora is onder andere afhankelijk van de boomsoort. De belangrijkste bomen voor paddestoelen zijn: Zomereik, Beuk, Berk, Linde en Populier (Jansen, 2005). Door het wegwaaien van de bladeren in de lanen zijn de lanen ook erg geschikt als groeiplaats voor mossen. Mossen kunnen zich ontwikkelen op de voet van de stam of op de schrale bodem tussen de bomen.

Oude bomen vormen een bron van leven

Lanen zijn van groot belang voor holenbroeders. Hiertoe behoren onder andere de Boomklever, Holenduif, Bonte Specht, Zwarte Specht, Pimpelmees, Koolmees en Bosuil. Maar ook Rode Lijst soorten als Groene Specht, Steenuil en Kerkuil. Dit komt doordat lanen ouder zijn dan het omliggende bos, waardoor de bomen over het algemeen meer dood hout en holtes bevatten.

Laan als verblijfsplaats voor vleermuizen

Een ander dier dat in zijn voortbestaan afhankelijk is van oude lanen is de vleermuis. De laanbomen zorgen voor beschutting en voedsel. Verder vormen lanen onmisbare vliegroutes tussen en binnen leefgebieden. Eik en Beuk zijn belangrijke vleermuisbomen aangezien deze erg oud kunnen worden. In Nederland leven een aantal vleermuizen welke in belangrijke mate gebruik maken van lanen. Dit zijn; Baardvleermuis, Watervleermuis, Gewone Dwergvleermuis, Ruige Dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse Vleermuis, en Bruine Grootoorvleermuis. Daarnaast ook Rode Lijst soorten als; Brandts Vleermuis, Franjestaart, Ingekorven Vleermuis, Bechsteins Vleermuis, Vale Vleermuis, Bosvleermuis (SVB / VZZ, 2003)
Juist het eindstadium van laanbomen is voor vleermuizen van belang. De aftakelende bomen zitten vol gaten en spleten. een oude spechtholte een kolonie vleermuizen een goede verblijfplaats biedt. Spechten gebruiken een holte slechts één tot enkele jaren. Hierna maakt rotting de boomholte onbruikbaar maar juist wel geschikt voor vleermuizen (SVB / VZZ, 2003).

Lanen als schakel in ecologische structuur

Het landschap in Nederland kan men grofweg onderverdelen in lijnen en vlakken. Vlakken worden gevormd door bijvoorbeeld landerijen, meren en bossen. Lijnen worden gevormd door wegen, kanalen en rivieren. Bossen, heidevelden en landerijen zorgen voor de vlakken op een landgoed, terwijl lanen en paden zorgen voor het lijnenstelsel. Veel dieren zoals Eekhoorns en Boommarters gebruiken deze lijnvormige elementen om zich te verplaatsen van het ene naar het andere gebied. Ook vormen laanbomen een leefgebied voor verschillende insecten door het bieden van voedsel en beschutting.

Natura 2000-gebieden

Voor beschermde Natura 2000-gebieden geldt dat er voor projecten en handelingen geen verslechtering van de kwaliteit van de habitats of een verstorend effect op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen mag optreden. Binnen de Natura 2000-gebieden zijn de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden te onderscheiden. Hieronder vallen ook de Rode Lijst soorten welke afhankelijk zijn van de oude laanbomen. Een beheerder van een gebied, dat onder de Vogel- en Habitatrichtlijn valt, is verantwoordelijk voor de instandhouding van het gebied dat specifiek voor de habitats of populaties kwalificerende soorten is aangewezen ; ook de voor soorten in dat gebied.

De met eiken omzoomde weg is een ecologische verbindingszone: dus weghalen bevordert versnippering.
De laanbomen, 90 jaar oude kwalificerende 9190 inlandse zomereiken zijn gewaarmerkt als onderdeel van het SBZ Noordenveld, namelijk oriëntatiepunt voor de trekvogels die zijn beschermd, zelfs aangewezen ingevolge art. 3 en art.4 lid 2 Vogelrichtlijn en zij zijn oriëntatiepunt, baken, liggen in de vliegroute en zijn broedplaats, vluchtplaats, winterverblijfplaats van diverse vleermuizen, bijlage IV Hr. Ook zijn er in en rond de bomen Rode Lijst soorten die kunnen worden verstoord.
Weghalen van de eiken is in strijd met de vereisten van de richtlijnen- het is dus een inbreuk erop- en brengt zware schade toe aan de biodiversiteit, waar N2000 juist over gaat: bescherming van de biodiversiteit. Bomenrijen vormen belangrijke structuurbepalende elementen. Ze zorgen voor een ruimtelijke inpassing van wegen in het landschap, markeren de cultuurhistorie, vormen een oriëntatiemiddel, vervullen een windremmende functie, een functie als ecologische verbinding. Ze dienen als rust- en broedplaats voor vogels, als oriëntatie voor ALLE trekvogels, als vluchtplaats voor (winter)vogels, als winterverblijfplaats voor insecten, vleermuizen, beschutting voor kleine zoogdieren. Het kappen van oude laanbomen is een vorm van nadelig beheer voor vleermuizen. Juist deze bomen zijn vaak geschikt als laatste kraamlocatie voor boombewonende vleermuizen en boommarters. Nog geen tien jaar geleden is in de onmiddellijke nabijheid een lanenstelsel van Amerikaanse eiken gekapt, omdat die in het kader van het Nederlands ‘omvormingsbeheer’ “ niet thuishoren”.Opgaande bomen kunnen ook als akoestische bakens fungeren. In een promotie onderzoek van dr. Verboom blijkt dat vleermuizen, o.a. de dwergvleermuis en de laatvlieger, vliegroutes kiezen waarbij ze houvast hebben aan lijnvormige elementen in het landschap; daarnaast kunnen ze als akoestische bakens fungeren. Vleermuizen gebruiken hun sonar om met behulp van de begroeiing hun weg door het landschap te zoeken. Er is in voorgaande jaren al een forse slag toegebracht- zonder voorafgaande toetsing -in locaties voor o.a. vleermuizen.Vleermuizen vereisen strikte bescherming (bijlage IV Habitatrichtlijn). Deze is niet gewaarborgd.

Deze eikenlaan langs de weg Lhee Kraloo is als aangegeven een ecologische verbindingszone, een ecologisch waardevol systeem en kappen is dus een zware aanslag op de biodiversiteit (Grontmij2006). Je zou kunnen zeggen dat zij de functie vromn van een ecoduct. Je HEBT al een ecoduct: toch moet het weg omdat ‘we’ een open landschap willen.Dan maken we elders wel een dure voorziening……….
Laat men de weg intact, dan kunnen de monumentale bomen blijven staan voor de Hr IV soorten, de trekvogels en breodvogels en ook de bermen met beschermde species annex IV Hr. blijven onbeschadigd/worden niet gedood/ vernietigd. Opgemerkt dient te worden dat “ compensatie” vaak ongewenst is en vaak zeer nadelig. Bij oud bos ( een rij van 80 jaar oude eikenbomen mag als gevolg van de Boswet zo genoemd worden) wordt compensatie daarom niet eens toegestaan
Vanuit het perspectief van landschapsbehoud is compensatie meestal ongewenst: veel kleinere houtwallen en bosjes zijn al door compensatie verdwenen en maken bijna altijd het landschap open, kaal, en ecologisch minder waardevol .

Bovendien heeft dit herinrichten van de weg en het omliggende agrarisch SBZ en de waterberging hierin, als gevolg dat (overwinterende en trek-) vogels een kleinere beschermde ruimte hebben en de agrarische cultuurgrond wordt ontgrond, waardoor aangewezen vogelrichtlijnsoorten en trekvogels en overwinteraars buiten het SBZ hun heil moeten zoeken, in strijd met de aanwijzing Dwingelderveld, waar bovendien bij de opgave aan Europa de infrastructuur van het gebied compleet moest worden ingeleverd. Dat geldt ook de weg Lhee Kraloo. Verandert deze infrastructuur, en cultuurgrond, dan dient eerst toestemming te worden gevraagd aan de EC. Dat is niet gebeurd.
Veel vogelsoorten zijn ook afhankelijk van de aanwezigheid van verspreid opgaande bomen en in het bijzondere struweel en opslag zoals de grauwe klauwier, klapekster, blauwborst, grasmus, geelgors, boompieper. kneu en andere vogels en dagvlinders zoals onder andere groentje en eikepage. Vooral paapje en roodborsttapuit, kenmerkend en kwalificerend! voor het Dwingelderveld, zijn afhankelijk van opslag. Ook zijn de eiken van belang voor holenbroeders en uilen die jaarrond zijn beschermd
Dan nog dit: ALS men terug wil naar de oorspronkelijke stand van het grondwater,
Waarom zouden die bomen dan nu doodgaan en daarom voortijdig moeten worden gekapt? Voordat de grote water stand verlaging begon waren de bomen in blakende gezondheid.
Of is nu de conclusie gerechtvaardigd dat de grondwaterstand hoger wordt dan ooit?

Vleermuizen en de eiken

Aanwezig zijn de dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis; en is opgegeven= en niet terug te vinden maar wel door Kleine opgemerkt- in het SDF: de meervleermuis, waarvoor ten onrechte geen ontheffing is aangevraagd .Evenmin kan die echter worden verkregen omdat de lijnvormige structuur die de oude eiken bieden, onherstelbaar worden vernield. Vleermuizen zijn strikt beschermde soorten op grond van bijlage IV van de Habitatrichtlijn.

Op grond van artikel 12 van de Habitatrichtlijn moeten de lidstaten het (on) opzettelijk doden, vangen of verstoren dan wel verslechteren van het leefgebied, gedurende het paren, nestbouw, geboorte, broeden, grootbrengen van de jongen, overwinteren, en trek van deze beschermde soorten verbieden. .
Onder artikel 12 lid 3 geldt dit verbod in alle perioden van het leven van de species die het aangaat. Een significante verstoring zoals in artikel 6 Hr. is in artikel 12 lid 1 niet vereist.

Daarom is een ontheffing op grond van artikel 75 derde lid van de flora en Faunawet vereist. De ontheffing moet voldoen aan de eisen van artikel 16 Habitatrichtlijn.
De stichting is tegen het kappen van de eiken langs de weg Lhee Kraloo omdat zij niet alleen de route aangeven voor de sonar van die dieren, maar omdat zij ook als mogelijke kraamkamer voor het kroost dienen.
Verder is er niet een heel jaar vooraf in verschillende jaargetijden onderzocht naar route, vluchten en aanwezige vleermuizen, dit is vereist . Tijdens de winterslaap mogen de dieren niet worden verstoord. Ook moet daarom op verschillende manieren een aantal onderzoeken zijn uitgevoerd. Dat is niet het geval, zodat thans een incompleet beeld is ontstaan. Het is vereist voor een strikt beschermde soort als een vleermuis dat alle mogelijke voorzorgsmaatregelen voor iedere soort vleermuis, zoals een volledige inventarisatie minstens gedurende een heel jaar op verschillende tijdstippen in het jaar, wordt geïnventariseerd met verschillende detectoren. Met dit onderzoek van de Hoogeveense dijk Noordenveld en de bomen Lhee Kraloo is geen afdoende inventarisatie gedaan. Dus is geen volledig beeld van de situatie ontstaan en dat is vereist. Ten aanzien van de rosse vleermuis dient te worden benadrukt dat deze een typische holle boombewoner is, zowel in de zomer als in de winter. Rosse vleermuizen zijn afhankelijk van een grotere groep holle bomen bijeen.Zo wisselen de vrouwtjes gedurende de zoogtijd regelmatig van boom, zijn de paarbomen in de buurt van de kraambomen en moeten de vleermuizen ook in holle bomen overwinteren. Het sparen van enkele bomen waarvan bekend is dat de dieren aanwezig zijn is dan ook niet voldoende. Een complex aan holle bomen in een brede straal moet beschermd worden. Er bestaat dan ook geen enkel tijdstip waarop bomen mogelijkerwijs NIET gebruikt worden door rosse vleermuizen: gedurende de gehele jaarcyclus huizen de dieren in de bomen. Laanbeplanting heeft voor rosse vleermuis voornamelijk belang als verblijfplaats, waarvan het veelvuldig wisselt.

Kappen in de zomer is strikt verboden . De kleine vleermuizen vliegen dan net uit en verstoring is uit den boze. Zie hierover het rapport van de Zoogdieren vereniging, ingesloten.
Ook infrarood is een noodzakelijk onderzoek; er is in casu, alleen in gebied Lhee Kralo en NIET elders, waar ook wordt gekapt, alleen gewerkt met D100 detector, en dan kunnen een aantal andere vleermuissoorten niet zijn opgemerkt. Dat zij aanwezig zijn is bekend.
Er is, zoals aangegeven, geen onderzoek gedaan in het najaar en in de nazomer en naar de paarverblijfplaatsen. Ook zijn de routes jaarrond anders.
Er wordt gesteld dat potentiele verblijfplaatsen niet zullen worden verwijderd en dat er daarom geen onderzoek is gedaan naar verblijfplaatsen!Kortom, die verblijfplaatsen zijn onbekend!
Dit is regelrecht in strijd met de richtlijn.

Verder is een afstand tussen de bomen genoemd als 30 meter volledig arbitrair. Hoe is dat gemeten? Op basis van welk wetenschappelijk onderzoek is dit gebaseerd? Welke vleermuis heeft zoveel geheugen dat hij zich nog kan oriënteren na deze kaalkap van ook de bosschages? Men heeft zich ook niet aan de afstand gehouden.
Hier wordt bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat vleermuizen uit lijst IV Hr. dusdanig worden verstoord dat deze definitief het landschap/ de bomenrij niet meer als route kunnen gebruiken/herkennen als hun route en ontstaat strijdigheid met de richtlijnen nr.12-16 Hr.
Voorts merkt de stichting op dat het onderzoek niet voldoet aan de vereisten van een zorgvuldig onderzoek en merkt daartoe op dat daardoor meerdere/andere soorten vleermuis, beschermd ingevolge de Hrl lijst IV, niet zijn opgemerkt.
De Stichting heeft daarvoor een rapport laten opstellen door deskundigen ( zoogdiervereniging) en de conclusie lijkt door dit rapport onderschreven te worden.

De rapporten bosbeheer en vleermuizen in Flevoland onderstrepen het belang van laanbomen voor vrijwel alle vleermuizen.
Vleermuizen gebruiken lijnvormige landschapselementen als houtwallen, kanalen en boomrijen om zich te orienteren in het landschap. Dat stelde de ecoloog dr Ben Verboom in zijn proefschrift, waarop hij 21 april 1998 promoveerde bij prof. dr Herbert Prins De verblijfplaatsen van Nederlandse vleermuizen liggen vaak kilometers van hun favoriete jachtgebieden. Vleermuizen overbruggen die afstanden via vaste vliegroutes langs lijnvormige landschapselementen. Ze houden met hun sonar contact met de boomrijen en kanalen, blijkt uit geluidsopnamen van meervleermuizen. Die passen hun sonargeluiden aan aan de afstand tot een kanaaloever. Waarschijnlijk gebruiken de vleermuizen de landschapselementen om in hun geheugen een kaart van het gebied te maken. Vleermuizen hebben ook andere voordelen van boomrijen. Ze bieden bescherming tegen wind en predatoren als de uil. Bovendien is de insectendichtheid vaak groter in de buurt van lijnvormige landschapselementen. Uit het onderzoek van Verboom blijkt dat kleinere vleermuizen sterker gebonden zijn aan de heggen en boomrijen. Door schaalvergroting in de landbouw is tussen 1900 en 1990 bijna zestig procent van de houtwallen, heggen en bomenrijen uit het Nederlandse landschap verdwenen. Die ontwikkeling heeft Nederland minder aantrekkelijk gemaakt voor vleermuizen. Verboom hoopte dat zijn bevindingen en de verspreiding van vleermuizen een rol spelen bij een decision support system voor landschapsinrichters.
Verder wijst de Stichting op de inhoud van onder meer het rapport vleermuizen en bosbeheer, folder vleermuis, rapport lanen 2007 en de bomenbrochure

Uilen

Er zaten de winter 2010 wel 27 uilen bij elkaar, zo twittert Andre Donker over het Dwingelderveld en de uilen.Over de soorten is er minder meedeelzaamheid, waarschijnlijk ook om geen liefhebbers te lokken.Maar dat er veel zijn, moge hieruit blijken. Een overzicht van de verschillende soorten:

De oude fijnspar en /of douglaspercelen met aangrenzend oud loofhout (beuk-eik) waar ook zwarte spechten voorkomen, zij n de stukken bos waar een onder andere de ruigpootuil zich thuis voelt.Deze soort is zeer zeldzaam maar is inmiddels in deze streek gesignaleerd. Terecht waarschuwt SOVON ervoor om de locatie van deze zeldzame soorten geheim te houden en uitsluitend aan hen door te geven.

Een bijzondere aandacht voor de dwerguil, die ook dankbaar gebruik maakt van de spechtenholen. Hij zou wel eens over een aantal jaren in Nederland willen broeden, als we dan nog oude naaldbossen hebben of oude bossen. Ze leiden een verborgen leven. Ze jagen overdag op vogeltjes en jonge zoogdieren;

De ruigpootuil is ook dol op spechtennesten. Hij lijkt een beetje op de steenuil; maar is rond de 25 cm groot..Ze laten zich niet overdag zien. Je kunt hem herkennen zien aan zijn uiterlijk, want hij heeft net als de kerkuil een “ bril”, de gezichtsluier.

De steenuil

De steenuil is het kleinste uiltje: je ziet hem ook overdag. Hij jaagt op insecten; houdt van oude bomen en oude gebouwen.Ze broeden dan ook in holle bomen of oude schuren. Hij neemt in aantal af. De steenuil heeft ruig cultuurlandschap nodig, zoals het Noordenveld in het Dwingelderveld, nog voordat het werd ontgrond. Hij maakt grappige knik of buigbewegingen als hij ontdekt wordt. Hij vertoont zich veel overdag en wordt bijna altijd achtervolgd door een groep zangvogels tot hij een veilig heenkomen heeft gevonden in een holletje, of een tak, dicht tegen een stam gedrukt.
Veel Vogelwerkgroepen werken ook met nestkasten.

Steenuilen in Drenthe

Drenthe is vermoedelijk nooit echt rijk geweest aan Steenuilen, al ontbreken gegevens die dit kunnen onderbouwen. In Vogels van Drenthe uit 1982 (Van Dijk et al, 1982) wordt de Drentse steenuilpopulatie in gunstige jaren op 180 tot 190 broedparen geschat, een gemiddelde dichtheid van 0,07 paar per 100 ha. Toen was de populatie waarschijnlijk al over zijn hoogtepunt heen. In ongunstige jaren (sneeuwrijke winter, ongunstig voedselaanbod) kan dit tot de helft minder zijn. De strenge winter van 1978/79 heeft stevig huisgehouden en in latere jaren werd het aantal van 100 broedparen veelal niet meer gehaald. Toch lijkt de Steenuil in de lift te zitten. In Zuidwest-Drenthe alleen al zijn in 2008 50 territoria geteld waarbij vooral de laatste jaren een forse toename te zien geven. In 2003 bijvoorbeeld werden er nog maar 29 geteld. De huidige Drentse populatie wordt door Martin Snijder (regiocoördinator van STONE geschat) op 94-140 broedparen. De grootste aantallen worden gevonden in Zuidwest-Drenthe, maar ook rond Westerveld en Coevorden komen nog relatief veel steenuilen voor. Ook in het Noordenveld (Dwingelderveld) en in Lhee is hij gespot door De Woudreus.Leest u het jaarverslag van de Vogelwerkgroep Uffelte, met hun onvermoeibare inzet voor ook de steenuil in die en andere strteken.

De bosuil

De bosuil is een standvogel van oude bossen, parken en oude buitenplaatsen; zijn grootte is ongeveer 40 cm. Zijn leefgebied heeft hij uitgebreid tot boomgaarden, tuinen en zelfs sommige steden.Maar open land vindt hij ook niet verkeerd. Hij kan dus overal zijn, mits er een paar grote bomen aanwezig zijn, voedsel en geschikte broedplaatsen. De nestplaats maakt hem ook niet zoveel uit: holle bom,en, nestkasten, konijnenholen, oude kraaien of roofvogelnesten, nissen in muren en zelfs zolders. Hij jaagt bij voorkeur ‘s avonds of ‘s nachts, hij pakt wat hij pakken kan. Hoofdzakelijk muizen en ratten staan op het menu,, maar ook kleine vogels zijn hun leven niet zeker. Vleermuizen, amfibieën reptielen staan ook op het menu. Dat gaat ten koste van de ransuil. En in Duitsland en België is het ook al mis met de dwerguil en de steenuil. Wat niet verteerd kan worden werpt hij uit via braakballen.Deze zijn lastig te vinden, omdat hij ze uitwerpt tijdens het vliegen.
Het aantal neemt toe. Dat komt omdat hij een cultuurvolger is geworden. De nestkasten die de mensen ophangen vindt hij ook erg prettig. De onderzoekers naar de bosuil hebben een goede manier gevonden om ze te vinden.Ze gaan dan naar een plaats toe en laten daar de roep van de bosuil horen, De reactie is of dat een Bosuil terug roept of laag over vliegt. Als er eentje reageert gaan ze een paar honderd meter verderop zitten en laten ze het geluid weer horen.

De kerkuil:

Een prachtige opvallende vogel met een hartvormig gezicht. Hij is 33-35 cm lang. De leefomgeving van een kerkuil is vooral kleinschalig boerenland en boerenerven.Dus een leefomgeving met veel ruige planten en struiken, meestal met houtwallen en hagen erbij.Dit is ideaal leefgebied voor een lekker muisje, een van zijn favoriete prooien. Het menu bestaat ook uit spitsmuizen, en dat vinden weinig andere uilen een lekker hapje. In de winter zijn ze minder kieskeurig. Ze broeden in donkere hoekjes en holen, die groter moeten zijn dan die van de bosuil. Tegenwoordig broeden ze meestal in een nestkast of een gebouw, aangezien daar muizen lopen en het droger en veiliger is. Dat was ook het geval met de door Staatsbosbeheer afgebroken boerderij Steenbergen in het Noordenveld, waar kerkuilen en boerenzwaluwen onderdak vonden.
De naam kerkuil is afkomstig van de broedplaats die ze vroeger hadden, waar de kerk vroeger galmgaten had.
Populatie: bedreiging van de stand door het verdwijnen van de broedplaatsen. Ook het verdwijnen van he t oude kleinschalige landschap met houtwallen, ruige hoekjes en wat bomen, zijn habitat, zorgt voor het verdwijnen van voedsel. Bij het jagen vliet de uil laag over de grond en de kans da t hij wordt aangereden is groot. De vergiftiging van huismuizen en vergiftigde insecten die weer opgegeten worden door spitsmuizen, is bij opeenhoping van gif dodelijk op den duur.
Muizen hebben een driejarige cyclus waarbij de muizenstand langzaam opbouwt. In muisarme jaren is het slecht gesteld met de uilen.
Werkgroepen.
Vrijwilligers hebben er voor gezorgd dat het weer wat beter gaat,hun inzet heeft ervoor gezorgd dat de stand na een terugval weer wat beter is.Echter, medewerking van een boer die bloemrijke stroken aanlegt en houtwallen in plaats van prikkeldraad is onmisbaar.

De ransuil:

Hij houdt van bosgebied met open landschap. Ze houden zich vooral op in naaldbossen met hier en daar wat open terrein, houtwallen en loofbomen, maar ook wel in dorpen of parkachtige tuinen, of kerkhoven.
Hij valt niet op tijdens de broedtijd, want hij weet zich dan goed schuil te houden. Hij is 35-37 cm lang. Ransuilen zijn een van de weinige uilen die samen kunnen leven met meerdere soortgenoten.In de winter zijn er in een boom of bosje wel 30 uilen te vinden en in strenge winters wel meer. Deze gezamenlijke slaapplaatsen, ook wel roestplaatsen genoemd. zijn toch moeilijk te zien. De braakballen verraden echter hun plaats. Ze lusten graag veldmuizen en ook vogels, vooral huismussen en vinken.
Bescherming en populatie.
Die is lastig. Ze leggen hun eieren vaak in kraaien nesten Daardoor worden jongen niet opgemerkt en geringd. Vandaar dat het aantal ransuilen in Nederland niet goed bekend is.

Roofvogels

de buizerd

Wat is het leefgebied van een buizerd?

Hun nest wordt altijd in een boom gebouwd, daarom zijn ze wel aan bomen gebonden in de broedtijd Die boom moet hoog zijn, liefst 10 tot 20 meter hoog ..

Er moet voldoende voedsel zijn, Bij het bepalen van de nestplaats zoeken ze naar plaatsen waar rust is; ze houden niet van verstoring. Dan hoeven ze niet van het nest. Bij vergissing bouwt hij wel eens een nest langs de grote weg en dergelijke nesten mislukken bijna allemaal. Sommige paren bouwen elk jaar een nieuw nest, andere paren gebruiken het nest enkele jaren achtereen. Bezette nesten zijn te herkennen aan verse groene takken op de nestrand. Er wordt aangenomen dat daarmee parasieten worden bestreden. Hoe dan ook door het aanbrengen van vers nestmateriaal blijft het nest schoon.
Buizerds leggen eieren in de periode vanaf eind maart tot in de tweede helft van april. Er wordt om de andere dag een ei gelegd. Een compleet legsel bestaat uit 1-4 eieren. In zijn er naar verhouding nogal wat 2-legsels, terwijl er in goede jaren meer 3-legsels zijn en soms zelfs een enkel 4-legsel. De broedduur bedraagt 36-38 dagen. Na 40-45 dagen vliegen de jongen uit. In het begin als ze amper vliegvaardig zijn, zitten ze op takken in de omgeving van het nest. Ze worden dan takkelingen genoemd. Geleidelijk aan gaan ze steeds verder.
. Sommige Buizerdparen bouwen jaren achtereen een nest, met mislukking tot gevolg. Voor de instandhouding van de populatie is dat geen probleem, mits ze zich eens in de 7 jaar kunnen beroepen op een succesvol broedsel.
.
Als een Buizerdpaar eenmaal jongen heeft die enkele weken oud zijn, lukt het ze bijna altijd de jongen groot te brengen. Als het dan toch misgaat, is dat vaak een gevolg van menselijk ingrijpen: Meestal door het uitleggen van vergiftigd aas.

Wat staat op het menu?

In het broedseizoen zijn dat vooral muizen, jonge konijnen, jonge hazen, mollen wilde eenden, fazanten, duiven en spreeuwen. Buiten het broedseizoen eet hij aas, van verkeersslachtoffers. Ment nam,e in slechte winters kan een deel van het voedsel bestaan uit regenwormen die lopend in weilanden of op graszaadvelden worden verzameld. Hij zit op een uitkijkpost en speurt dan de omgeving af en zodra hij zijn prooi ziet, overrompelt hij die. Ook kouwen gaaien en eksters vindt hij geen enkel probleem om op te eten.
Territoruim: In kale boomloze gebieden , met overwinterende watervogels, zijn veel geinteresseerde buizerds te zien. In de schemer verlaten ze de kale vlakte om ergens in een boom te gaan slapen of in een bosje, enige afstand van het foerageergebied is niet een probleem.

Buizerdparen blijven het hele jaar in hun territorium.De balts begint in februari.

Geef een reactie