EHS en afname biodiversiteit, vervolg

EHS- door verkeerde aanname afname biodiversiteit,  vervolg

Naar aanleiding van ons artikel van september over de publicatie van de auteurs Schipper en anderen in het wetenschappelijk tijdschrift PLOS ONE, getiteld: Rapid Diversity Loss of Competing Animal Species in Well-Connected Landscapes, kreeg ik een verzoek van Ruud Kreetz, (Natuurmonumenten) of ik het “ecoductenonderzoek” wilde opsturen. Ik noemde hem het artikel en het antwoord dat daarop volgde was niet mals:

“Beste Mieke, bedankt voor het toezenden van de titel van het onderzoek. Ik heb zowel het artikel als de Nederlandse samenvatting gelezen. Conclusie is dat met elkaar verbinden van gebieden ook het risico heeft dat de ene soort de andere soort wegconcurreert. Dat is niks nieuws, (………) zie het verdwijnen van de rosse woelmuizen in rietland na verdroging, waardoor aardmuis en veldmuis het gebied koloniseren. Of het verdwijnen van reeën in gebieden waar damherten zich in hoge aantallen vestigen. En natuurlijk de komst van allerlei exoten zoals de Japanse oester, de oost Europese grondels in de Rijn, etc. Dit wordt in het onderzoek voor een aantal vogelsoorten uitgezocht.

De auteur zegt dat er aan het verbinden van gebieden ook een aantal kanttekeningen zitten, waaronder deze onderlinge concurrentie. Je moet dus oppassen dat je geen verbindingen maakt tussen gebieden waar soorten leven die elkaar kunnen wegconcurreren. Dat is echter een heel andere conclusie dan die jij beschrijft op je website. Hij beschrijft nergens dat door het realiseren van de EHS of het verbinden van natuurgebieden de biodiversiteit in zijn algemeenheid afneemt. En zeker niet dat soorten beter in geïsoleerde gebieden overleven,dat geldt slechts voor enkele soorten, en dan alleen nog als door het verbinden soorten in dezelfde niche op het toneel verschijnen. Trouwens, in een gevarieerd landschap zijn die verbindingen er, op enkele uitzonderingen na, bijv. eilanden of gebergtes, altijd geweest.

Je doet met je verhaaltje, naar mijn mening, de onderzoekers ernstig onrecht aan. En je schotelt de argeloze lezer onjuiste informatie voor.”

Dus vroegen we aan een wetenschapper, Dr. Gerrits, bioloog, het artikel en het commentaar van Ruud Kreetz , te bezien: zie hier het antwoord:

Beste Mieke,

heb het stuk uit PLOS bekeken, is mooi modelmatig werk .

Maar meneer Kreetz heeft het niet goed begrepen – het gaat er niet om dat b.v. de ene soort de andere wegconcurreert, maar dat er veel soorten verdwijnen door het opheffen van barrieres tussen gebieden, waardoor sprake is van verlies aan biodiversiteit.

Het onbegrip van meneer Kreetz blijkt uit zijn voorbeelden. Zijn voorbeeld over verdrogen van rietland heeft niets met verbinden van gebieden te maken. Het is bovendien een dubbele blunder want HIJ KENT ZIJN SOORTEN NIET! De enige woelmuis die in zeiknat rietland kan overleven is de Noordse woelmuis, ons allen welbekend hoewel slechts een handjevol mensen hem ooit hebben gezien. Of de aardmuis en de veldmuis het gebied koloniseren valt te bezien; als het een beetje nat blijft kunnen er aardmuizen leven, wordt het droger dan is het geschikter voor de veldmuis – die op zijn beurt de aardmuis meestal wegpest. De rosse woelmuis is een soort van droog terrein, het liefst voorzien van flink opgeschoten begroeing.

Het tweede voorbeeld slaat de plank zo mogelijk nog erger mis. Damherten zijn een invasieve exoot die zich in Nederland niet spontaan kan vestigen, maar door terreinbeheerders wordt/werd uitgezet. In de Amsterdamse waterleiding duinen is dat ooit gebeurd omdat de myxomatose alle konijnen had uitgeroeid en een of ander (ecologisch bezien) onbenul bedacht dat het gebrek aan konijnenvraat kon worden vervangen door vraat van damherten. Hun schadelijkheid wordt benadrukt door het feit dat ze onze inheemse soort, het ree, verdrijven – dus damherten verwijderen.

Het derde voorbeeld is gedeeltelijk niet van toepassing want (opzettelijke) introductie van exoten (Japanse oester) heeft niets met verbinden van gebieden te maken. Wat wel van toepassing is, maar bij meneer Kreetz geen belletje doet rinkelen, is de verschijning van Oost-europese soorten in de Rijn. Het wegnemen van de barriere tussen de stroomgebieden van de Donau en de Rijn, door de aanleg van het Rijn-Donau-kanaal heeft het ecosysteem in beide stroomgebieden aangetast. Bij ons endemische soorten staan zwaar onder druk door het verschijnen van verschillende soorten grondels en andere vissen zoals de Roofblei.

Niet alleen model-onderzoek laat zien dat je heel voorzichtig moet omgaan met barrieres tussen leefgebieden. De conclusie van veldonderzoek aan vlindersoorten in centraal Spanje (referentie 25 uit het PLOS artikel) is: gefragmenteerde habitats hebben een hogere biodiversiteit dan aaneengesloten grote gebieden.

‘We studied butterfly communities of isolated woodlots in Central Spain during 1991 to investigate the influence of area, shape, isolation and habitat on community structure. Total of eighty-one species was observed. Butterfly diversity rather than species number, was significantly correlated with both woodland area and isolation (area of woodland within 1 km of the study plots) Round rather than long thin fragments are, apparently, advantageous for the maintenance of butterfly diversity. Species diversity increases as patchiness of forest fragments increases. A measure of rare and interesting communities in an European context, Kudrna’s (1986)chorological index, decreases with area, as a consequence of habitat changes ( area affects habitat structure).These results may generate contradictory decisions in relation to butterfly species conversation.’

 De vlinderonderzoek van 25 jaar geleden legt m.i. de vinger op een pijler van de biodiversiteit, nl het belang van sterk gefragmenteerde en door (natuurlijke) barrieres van elkaar gescheiden habitats. Door fragmentatie ontstaat een enorme verscheidenheid aan micro-klimatologische omstandigheden die een hogere mate van biodiversiteit kan ondersteunen dan een grote lap van een en hetzelfde habitat. Als ik zie hoe terreinbeheerders met Natura2000-gebieden en de EHS omgaan geloof ik dat ze hier weinig van begrepen hebben.

 Ik heb geen idee van de functie van meneer Kreetz bij NM, maar ik hou mijn hart vast als hij beleidsbepalend zou zijn.

 

Met vriendelijke groet,

Dr. N.M. Gerrits

Naschrift:

Ook het Compendium voor de Leefomgeving stelt ultimo 2014 dat twee zaken essentieel zijn om de flora-en faunasoorten in staat te stellen om op lange termijn te overleven; enerzijds behoud van de leefgebieden ( Europese verplichting Vogel- en Habitatrichtlijn) en de mogelijkheden zich te verplaatsen ( Nederlands EHS-beleid) tussen leefgebieden. Volgens Leefomgeving zijn de ruimtelijke condities niet goed wanneer het leefgebied te klein is of te veel versnipperd (EHS-dogma). Dus Ruud Kreetz heeft nooit anders dan deze gezangen gehoord. Maar dat neemt niet weg dat openstaan voor nieuw belangwekkend wetenschappelijk onderzoek een voorwaarde is voor verantwoord natuurbeheer. Zorgelijk evenwel is dat de EHS-lobby van Nederland ook vaste voet in Brussel heeft gekregen en de achterhaalde en met de richtlijnen strijdige tunnelvisies daar doordrukt. Je vraagt je af wiens belang daar nu mee is gediend.